![]() |
|
|
|
|
|
Tussen de 11e en 14e week van de zwangerschap hebben alle foetussen een kleine hoeveelheid vocht onder de huid van de nek. Bij foetussen met Downsyndroom is dit vaak iets meer dan bij normale kinderen. Lees meer...Uitvoering van de nekplooimeting Voor betrouwbare meting van de nekplooi is van belang dat de foetale kop-stuit lengte minimaal 45 mm en maximaal 84 mm is. Tijdens de meting streeft de echoscopist naar: De nekplooimeting wordt gedaan als de foetus in een neutrale houding ligt met het hoofd in een lijn met de wervelkolom, d.w.z. noch in hyperextensie of flexie. Bij een optimale mid-sagittale doorsnede zijn het gezichtsprofiel en de huidlijn in de nekregio vanaf het hoofd tot het midden van de romp zichtbaar. Zoem in tot alleen de nek, de borst en het profiel van de foetus zichtbaar zijn. Lees meer...De kruislijnen van de calipers worden OP de binnenranden van de witte lijnen geplaatst. Stel de gain zo laag mogelijk om de begrenzing van de witte lijnen goed zichtbaar te maken. Vermijd gebruik van tissue harmonic imaging omdat dit de lijnen verdikt en onderbeoordeling in de hand werkt. Lees meer...Maak onderscheid tussen de foetale huid en het amnion door te wachten op een spontane foetale beweging of door de moeder te vragen om te hoesten. Lees meer...Het is van belang dat het wijdste gedeelte van de nekplooi wordt gemeten. Verricht meerdere metingen en registreer de maximale meting die voldoet aan bovenstaande criteria. Een afbeelding van de meting dient te worden opgeslagen bij de cliëntgegevens. |
|